Archief voor april 2007

Belgische Senaat 2 JULI 2008

april 1, 2007

Wetgevingsstuk nr. 4-755/3

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

2 JULI 2008


Voorstel van resolutie ter bestrijding van anorexia

Voorstel van resolutie ter bestrijding van anorexia

Voorstel van resolutie ter bestrijding van anorexia


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE SOCIALE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW VIENNE


I. INLEIDING

Het voorstel van resolutie ter bestrijding van anorexia van de dames Zrihen en Kapompolé (stuk Senaat, nr. 4-37/1) is ingediend op 12 juli 2007. Op 23 augustus 2007 is er een tweede voorstel van resolutie ter bestrijding van anorexia ingediend door mevrouw Hermans en de heer Collas (stuk Senaat, nr. 4-154/1). Beide voorstellen nemen de tekst over van voorstellen die reeds in de Senaat waren ingediend, respectievelijk op 6 maart 2007 en op 2 maart 2007.

De commissie voor de Sociale Aangelegenheden heeft deze twee voorstellen tegelijkertijd bestudeerd tijdens haar vergadering van 21 november 2007. Na deze vergadering is er beslist hoorzittingen te organiseren, die hebben plaatsgevonden op 12 december 2007. Het verslag hiervan gaat als bijlage bij dit verslag.

Aangezien de commissie het er niet over eens was welke tekst als basis voor de besprekingen moest dienen, zijn de indieners van beide voorstellen samengekomen om een nieuwe tekst uit te werken. Dit overleg heeft geleid tot voorstel van resolutie nr. 4-755/1, ingediend op 15 mei 2007 en ondertekend door leden van de PS, MR, Vld, CD&V en cdH.

De commissie heeft dit voorstel van resolutie besproken tijdens haar vergaderingen van 25 juni en 2 juli 2008.

II. INLEIDENDE UITEENZETTINGEN DOOR DE INDIENERS VAN DE VOORSTELLEN VAN RESOLUTIE

A. Voorstel van resolutie nr. 4-37/1

Mevrouw Zrihen legt uit dat het wetsvoorstel dat zij samen met mevrouw Kapompolé heeft ingediend, is ingegeven door een situatie die veel mensen kennen en die in het licht is gesteld door de affiches met een zeer magere, zelfs uitgemergelde vrouw.

De manier waarop menselijke relaties in deze maatschappij worden opgevat, zorgt ervoor dat sommigen menen dat een vrouwenlichaam op welke manier dan ook kan worden gebruikt. Een vrouwenlichaam dat gebruikt wordt voor de mode is een complete ontkenning van alles wat de identiteit van een vrouw kan inhouden. Doordat het lichaam aan een zeer specifiek model moet beantwoorden, is er geen respect voor de diversiteit en voor de manier waarop lichamen afgebeeld moeten worden.

Wat modellen en mode betreft, denkt mevrouw Zrihen dat de grens van het aanvaardbare nu wel bereikt is. Men stelt vast dat sommige vrouwen, om aan de vereiste normen voor de modeshows te beantwoorden, in het kader van hun werk tot extreme toestanden komen, om toch mee te kunnen doen aan de slankheidscultus. Die cultus kan zelfs tot dodelijke situaties leiden.

In België is anorexia een probleem dat ongeveer 9 000 personen aanbelangt, voornamelijk vrouwen. Men kan deze problematiek niet langer laten aanslepen. Anderzijds is het duidelijk dat alle betrokken niveaus een positief gezondheidsbeleid trachten te voeren dat erop gericht is een langere levensduur te bewerkstelligen.

Bij anorexia zijn er heel veel elementen in het spel. De reclame speelt een erg grote rol, door slanke of zelfs magere vrouwen te blijven voorstellen als ideaalbeeld. Daarbij komt nog een pro-anorexiastroming. Sommige jonge meisjes stellen zichzelf aan enorme risico’s bloot. Recepten om te vermageren en tips over braakmethoden en manieren om ouders en artsen om de tuin te leiden doen vrij de ronde op internet.

Men kan dus onmogelijk ongevoelig blijven voor dit probleem. Deze resolutie kan tegelijkertijd de modewereld, die dit fenomeen voedt, aan de kaak stellen en het bewustmakingsproces nog meer stimuleren, zodat jonge meisjes kunnen opgroeien tot evenwichtige volwassenen.

B. Voorstel van resolutie nr. 4-154/1

Mevrouw Hermans wijst erop dat men in ons land steeds meer met anorexia wordt geconfronteerd, zonder dat hierover exacte cijfers beschikbaar zijn. Dit is betreurenswaardig, maar vast staat dat de puberteit voor vele jonge mensen zeer belangrijk is. De mode is heel belangrijk voor het bepalen van het zelfbeeld. Aan de basis van anorexia liggen ook tal van psychologische problemen die, gecombineerd met sociale en en soms ook genetische oorzaken, de persoonlijkheid van de betrokken personen helemaal kunnen veranderen.

Om te bepalen wie al dan niet te mager is doet men vaak een beroep op de zogenaamde « body mass index » (BMI). Normaal ligt die index tussen 25 en 30, maar vanaf een BMI onder 18 lijdt men aan ondergewicht, beneden 14 is men in hoge mate ondervoed en onder 11 bestaat een reëel risico op overlijden.

Spreekster wijst erop dat het internet een belangrijke rol speelt in deze problematiek. Er bestaan bijvoorbeeld verschillende « pro-ana » sites, waar men met mekaar in competitie kan treden en men mekaar feliciteert over het zo laag mogelijke lichaamsgewicht.

Ook de modewereld heeft heel wat impact. Men zou met de belangrijke spelers in de mode tot een convenant moeten kunnen komen om te magere modellen te bannen. Sommige landen, zoals Spanje en Italië, hebben reeds de strijd aangebonden tegen anorexia in de mode. Zo worden meisjes met een BMI onder de 24 geweigerd op de catwalk.

Concreet, wordt in het voorstel van resolutie nr. 4-154 het volgende voorgesteld :

— ‏Een studie uit te voeren die duidelijker en vollediger gegevens over de Belgische situatie kan verschaffen;

— ‏Ervoor te zorgen dat anorexia op de agenda van Europese Commissie wordt geplaatst;

— ‏Ervoor te zorgen dat internetproviders een waarschuwingsboodschap op pro-ana-blogs en -websites plaatsen;

— ‏Besprekingen aan te vatten met de Belgische modesector om na te gaan of een ethische code haalbaar en nuttig is.

Voor het overige verwijst spreekster naar de schriftelijke toelichting bij het voorstel van resolutie.

C. Voorstel van resolutie nr. 4-755/1

Mevrouw Zrihen legt uit dat voorstel nr. 4-755/1 het resultaat is van een samenwerking van de PS, MR, Vld, cdH en CD&V. Het is de bedoeling anorexia te doen erkennen als een ziekte op zich en alle aspecten ervan te bevatten. Anorexia is een waar maatschappelijk probleem geworden en het fenomeen ontwikkelt zich nog meer onder invloed van de nieuwe technologieën, de media die bepaalde rolmodellen naar voren schuiven en die het idee versterken dat er slechts één type van vrouwelijk ideaal bestaat. Anorexia treft niet slechts één persoon maar heeft gevolgen voor zijn hele omgeving, die het slachtoffer wordt van de sfeer en de gevolgen van de ziekte.

Het voorstel vraagt het modemilieu om dit soort houding niet te bevestigen. Naar het voorbeeld van wat in andere landen bestaat, stelt de tekst een deontologische code voor. Ook bevat het voorstel een gedeelte over preventie en spoort het de gemeenschappen aan om zich hiervoor in te zetten door bewustmakingscampagnes te organiseren, die gezond leven, zelfvertrouwen en de aanvaarding van verschillende vrouwelijke ideaalbeelden moeten aanmoedigen.

Het voorstel van resolutie eindigt met een oproep aan de Europese Commissie, om alle ministers van volksgezondheid in de verschillende lidstaten ertoe aan te zetten preventie te organiseren.

Mevrouw Hermans vestigt de aandacht op een paar aanbevelingen die zij bijzonder belangrijk vindt. De eerste heeft te maken met schoonheidswedstrijden en reclame in het algemeen. Het is uiterst belangrijk dat de sector verbintenissen aangaat, want uit de hoorzittingen is gebleken dat de anorexiaslachtoffers vaak meisjes zijn — en in mindere mate jongens — die goedgelovig zijn en die zich door de media laten manipuleren.

Het vierde punt beveelt aan om waarschuwingen te plaatsen op de pro-anorexia-sites. In Nederland is aangetoond dat deze waarschuwingen 60 % van de mensen die dit soort sites bezoeken, tegenhouden.

Punt 7 is ook belangrijk, omdat het de nadruk legt op het herkennen van de symptomen van de ziekte, in het bijzonder door artsen. Punt 8 ten slotte onderstreept dat de patiënten tijdig multidisciplinaire behandeling nodig hebben op lange termijn.

De heer Collas benadrukt dat de gemeenschappen moeten worden betrokken bij alle preventieve aspecten van het voorstel van resolutie. Het lid verwijst naar de getuigenis van een 18-jarig meisje dat hem geschreven heeft. Zij lijdt reeds 5 jaar aan anorexia en is blij dat de bestrijding van deze ziekte op de agenda van het parlement staat. Als jonge vrouw en als jonge burger denkt zij niet dat zij veel kan bijdragen tot het politiek debat, maar zij wil toch laten weten aan de parlementsleden dat hun werk door de samenleving naar waarde wordt geschat. Zij denkt dat een verbod op pro-anorexia-sites een stap in de goede richting is. Zij vraagt zich echter wel af of eetstoornissen niet op een andere manier moeten worden aangepakt en of er niet meer geïnvesteerd moet worden in de zorgverlening. Dit is zeker niet eenvoudig, maar er is in België een gebrek aan instellingen die gespecialiseerd zijn in de behandeling van eetstoornissen. Begin september is een meisje opgenomen in een Nederlandse kliniek, omdat de verzorging die zij nodig had in België niet verkregen kan worden. Het is bewezen dat er een groeiend aantal mensen is met eetstoornissen, terwijl hun leeftijd ook daalt. De wachtlijsten voor opname zijn zeer lang.

Een verbod op pro-anorexia-sites is dus een positieve maatregel, maar dit zal anorexia niet uit de wereld bannen. Anorexia is een ziekte, geen modefenomeen.

Een andere getuigenis, die uitgaat van iemand die in de zorgsector werkt, bevestigt dat het aantal jongeren met eetstoornissen stijgt, met een piek rond de leeftijd van dertien-veertien jaar. Er bestaan in België geen cijfers over de pro-anorexia-sites, noch over anorexia bij jongeren, en er is ook geen echt zorgprogramma ontwikkeld. Gezien hun jonge leeftijd en de verwikkelingen die kunnen optreden in hun ontwikkeling, dienen deze patiënten multidisciplinair behandeld te worden en moeten er tegelijkertijd artsen, psychologen en diëtisten bij betrokken worden. Dit soort initiatieven bestaat haast niet binnen de ziekenhuizen. Ook de poliklinische zorg is niet goed georganiseerd. Op dit vlak zijn er zeker middelen nodig voor onderzoek en verdere ontwikkeling van de poliklinische zorg.

III. BESPREKING

A. Algemene bespreking

Mevrouw Vanlerberghe is verheugd met de belangstelling voor de problematiek van de strijd tegen anorexia die, samen met de strijd tegen obesitas, een belangrijk element moet vormen in een beleid inzake volksgezondheid. Het belang daarvan — en zeker de invloed van het internet bij anorexiapatiënten — kan moeilijk worden overschat. Zij pleit er dan ook voor om de verschillende voorstellen van resolutie samen te bundelen en te komen tot één tekst die ruim gedragen is door de commissie.

Mevrouw Jansegers staat helemaal achter de voorstellen van resolutie. Zij is het ermee eens dat de modewereld voor zijn verantwoordelijkheid wordt gesteld, maar meent dat dit ook in andere maatschappelijke sectoren dient te gebeuren. Zij verwijst naar de wereld van de topsport — men denke aan ballet of ijsschaatsen — waarin vooral meisjes door hun coach bijna worden gedwongen om hun gewicht te laten zakken onder een kritisch niveau om bepaalde handelingen te kunnen uitvoeren. Dit heeft vaak nog weinig met sport te maken en brengt integendeel het lichaam van de betrokkenen ernstige schade toe.

Parallel met de problematiek van obesitas, waar wordt verwezen naar het belang van het medisch schooltoezicht, lijkt het ook in het geval van anorexiapatiënten wenselijk dat tijdig bepaalde knipperlichten gaan branden. Het medisch schooltoezicht zou de ouders van het betrokken kind onmiddellijk moeten informeren; het mag immers niet vrijblijvend zijn.

Mevrouw Van Ermen is het hiermee eens en wijst erop dat niet enkel meisjes worden gedwongen om hun lichaamsgewicht tot in het extreme te laten zakken. Ook bij jongens is dit geval, bijvoorbeeld in de paardensport.

De heer Elsen feliciteert de indieners van de voorstellen van resolutie met hun initiatief. Het betreft een heel belangrijk probleem, dat aangepakt moet worden via de actoren uit zowel de modewereld als de media, enz. Dankzij personen uit de gezondheidszorg weten wij echter dat het ook een maatschappelijk en psychologisch probleem betreft dat een multidisciplinaire aanpak vereist. Zowel de psychologische aspecten als de gezinsomgeving en andere aanverwante aspecten moeten worden geanalyseerd. Wij moeten het dus niet alleen over anorexia hebben, maar over alle jongeren die lijden aan stoornissen die te maken hebben met anorexia. Een resolutie moet ambitieus zijn en rekening houden met al deze psychologische factoren, die niet alleen te vinden zijn bij meisjes die model willen worden, maar ook bij andere jongeren.

Spreker meent dat er aandacht moet zijn voor preventie in de resolutie, en dat het onderzoek op dit vlak verbeterd moet worden. Vele gezinnen die te maken krijgen met anorexia weten niet wie zij kunnen aanspreken. Hij vindt dat de psychotherapeutische begeleiding onvoldoende ontwikkeld is. Vele therapeuten geven toe dat zij machteloos staan tegenover dit probleem en dat zij niet weten hoe ze het moeten aanpakken. Het onderzoek moet dus worden ontwikkeld voor een probleem dat nog zal uitbreiden, als men de statistieken mag geloven.

Bovendien vindt de heer Elsen dat men in voorstellen van resoluties moet verwijzen naar reeds bestaande maatregelen inzake gezondheidsplanning, zoals het nationaal plan voor voeding en gezondheid voor de periode 2005-2010.

Ook moet men rekening houden met de charters betreffende anorexia die de Vlaamse en de Franse Gemeenschap goedgekeurd hebben, en die ondertekend zijn door modeagentschappen en vertegenwoordigers van de pers.

Mevrouw Vanlerberghe is van oordeel dat preventie in deze aangelegenheid essentieel is. Dit is evenwel een bevoegdheid van de gemeenschappen en zij moeten dan ook worden betrokken in een eventuele resolutie die het licht zou zien. De gemeenschapssenatoren dienen hierin dan ook een rol te spelen. Zij is het niet eens met de opmerking die vaak wordt gemaakt, dat de Senaat niet over preventie kan spreken omdat dit een gemeenschapsbevoegdheid is. De anorexiapatiënten hebben immers geen boodschap aan de moeilijkheden die het gevolg zijn van de federale staatsstructuur.

Spreekster is het verder eens met diegenen die beweren dat anorexia niet enkel een zaak is van modemodellen of topsporters. Jonge meisjes die in hun vrije tijd aan ballet doen worden reeds onder druk gezet om hun gewicht tot in het extreme toe te controleren. Daar kan men echter tegen optreden door heel concrete maatregelen te nemen. Zo mogen balletdansers bijvoorbeeld niet meer optreden wanneer een arts hen niet vooraf medisch geschikt heeft gevonden, onder meer op het vlak van het gewicht. Dergelijke maatregel is zeer eenvoudig en zeer doeltreffend en kan op federaal vlak worden gerealiseerd.

Mevrouw Vanlerberghe stelt voor om enkele experten uit te nodigen die suggesties kunnen doen voor maatregelen die eveneens heel concreet en makkelijk te realiseren zijn, zowel op het federale vlak als op het vlak van de gemeenschappen, wat de preventie betreft.

Mevrouw Vienne meent dat er tussen de gewesten problemen zijn met de zichtbaarheid wat de volksgezondheid betreft. De gemeenschappen en gewesten hebben een aantal maatregelen genomen om het probleem meer zichtbaar te maken en om oplossingen aan te reiken. Zo werden in Wallonië middelen vrijgemaakt voor een ziekenhuis om zich te specialiseren in de begeleiding van anorexia.

Anorexia is een echt probleem van volksgezondheid dat door geen enkel machtsniveau ernstig aangepakt wordt.

Laten wij niet vergeten dat deze ziekte ook jongens treft, en niet alleen meisjes.

Wanneer men het heeft over eetstoornissen, is het duidelijk dat men verwijst naar een stoornis van psychiatrische aard, maar ook naar de hele verhouding tot het lichaam, die voortwerkt in de huidige sociale verhoudingen. Deze verhouding is veel ingewikkelder dan een gewone verhouding tot de mode en het beeld. Tijdens een bezoek aan een ziekenhuis dat gespecialiseerd is in de begeleiding van anorexia, heeft spreekster vastgesteld dat acht op tien patiënten aan zelfverminking deden. Anorexia moet dus deel uitmaken van een ruimere aanpak, wat de zaak er niet gemakkelijker op maakt.

Spreekster meent dus dat de resolutie uitgediept zou moeten worden. Zij wenst ook een ontmoeting met verschillende specialisten om een betere wetenschappelijke kijk te hebben op het probleem.

De heer Dallemagne is het eens met de opmerking van mevrouw Vienne. Men mag niet laten geloven dat alle 9 000 personen die aan anorexia lijden rechtstreeks onder invloed staan van de modewereld. De discussie moet ruimer worden en men moet zich afvragen hoe men dit ernstig probleem van volksgezondheid kan aanpakken en gebruik kan maken van de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten en van de federale overheid.

Mevrouw Van Ermen wijst erop dat, naast de anorexiapatiënten die werden beïnvloed door de modewereld en de sport, er ook mensen zijn met anorexia als gevolg van genetische redenen. Jammer genoeg blijkt uit ervaring dat voor deze patiënten ook psychologische begeleiding weinig soelaas biedt. Voor hen blijkt de beste therapie erin te bestaan om ze in te schakelen in het leven op een boerderij, dat een ontwenning van de obsessie voor hun gewicht vergemakkelijkt. Deze therapie valt niet onder te brengen in de klassieke terugbetalingsregels van het RIZIV, maar blijkt wel effect te hebben.

Mevrouw Hermans pleit voor een versterkte samenwerking met de gemeenschappen en met de Europese instanties. Zij is het eens met de organisatie van hoorzittingen over deze problematiek.

Mevrouw Zrihen is heel blij dat de ernst van het probleem wordt onderkend en dat het als een probleem van volksgezondheid beschouwd wordt. Het is belangrijk om een wetenschappelijk onderbouwde tekst te hebben. Deskundigen kunnen werkpistes aangeven die kunnen uitmonden in volwaardige preventie-instrumenten inzake volksgezondheid.

Mevrouw Lanjri, voorzitter, verklaart dat zij het voorstel van resolutie nr. 4-755 mee heeft ondertekend omdat zij ook de ernst van het probleem erkent. Jaarlijks worden 9 000 jongeren getroffen en dat cijfer stijgt nog terwijl de leeftijd van de getroffenen daalt. De tekst is in vergelijking met de beide vorige teksten (nr. 4-37/1 en 4-154/1) uitgebreid op basis van de hoorzittingen. De voorzitter dringt er bij de minister op aan dat de tekst, zodra hij goedgekeurd is, geen dode letter blijft.

Mevrouw Vanlerberghe verheugt zich erover dat deze vreselijke problematiek, die voornamelijk jongeren treft, wordt bestudeerd. Deze ochtend nog heeft de pers bericht over een enquête van het weekblad Joepie bij 8 000 jongeren, waaruit blijkt dat 94 % meent gewichtsproblemen te hebben.

Het lid vindt echter dat het voorstel van resolutie te veel is toegespitst op de modewereld, terwijl de ziekte andere oorzaken heeft. Het probleem zou beter afgebakend moeten worden. Anorexia is duidelijk aanwezig in sportmiddens — niet alleen in de danswereld — en in de sector van de vrijetijdsbesteding. Zij vraagt dus om een uitbreiding van de draagwijdte van de tekst.

Anorexia mag niet los worden gezien van andere eetstoornissen. Het is gewoon de meest ernstige vorm aangezien het levensbedreigend kan zijn.

Het is trouwens niet alleen de federale overheid die aandacht moet hebben voor het probleem. Ook scholen, CLB’s enz. spelen een belangrijke rol, en zij hangen af van de gemeenschappen. Er moet dus in overleg worden gehandeld.

Preventie moet al vroeg genoeg op school beginnen. Maar als de ziekte zich manifesteert, is intensieve begeleiding nodig. Volgens spreekster kan de resolutie de indruk wekken dat anorexia een probleem is van de modewereld. Het is echter een probleem dat voortvloeit uit de omgeving van de persoon, uit diens zelfbeeld en uit het beeld dat anderen hebben.

Volgens de heer Elsen moet de politiek duidelijke signalen geven over ernstige problemen als anorexia. Als erover wordt gezwegen, bestaat de kans dat het probleem na verloop van tijd als « normaal » wordt ervaren. Voor dit allesomvattend samenlevingsprobleem moeten alle machtsniveaus zich samen inspannen. Sensibilisering en preventie als bedoeld in punt 5 en 6 van de resolutie zijn essentiële aspecten. Daarom moet de tekst meteen na de goedkeuring ervan naar de gemeenschappen worden gezonden.

Vervolgens vestigt het lid de aandacht op de betrokken sectoren. Punt 1 van de resolutie betreft de televisiepresentatrices. Het lid meent echter dat de sectoren waar het lichaam als voornaamste werkinstrument wordt gebruikt, moeten worden geïdentificeerd. In de modewereld of in schoonheidswedstrijden wordt in de eerste plaats rekening gehouden met fysieke criteria. Maar momenteel is dat voor televisiepresentatoren nog niet het geval. Er mag niet worden veralgemeend.

Televisiepresentatoren vertegenwoordigen de bevolking, maar staan ook voor inhoud, waarvoor het fysieke geen criterium is. Natuurlijk zijn zij een soort rolmodellen, maar dan zouden ook politici aan fysieke eisen moeten voldoen.

Hoe zou trouwens een controlesysteem voor televisiepresentatoren kunnen worden uitgewerkt ?

De heer Ceder zegt zich bewust te zijn van de ernst van het probleem. Hij is het echter niet eens met de discussie die wordt gevoerd. Volgens hem heeft 90 % van het probleem betrekking op preventie, dus een bevoegdheid van de gemeenschappen. De Senaat moet niet de gewoonte aannemen om zaken te behandelen die voor het grootste deel de bevoegdheid van de deelgebieden zijn.

De heer Beke meent eveneens dat de bevoegdheden moeten worden verdeeld, ook in de toekomst. Los daarvan spreekt het voor zich dat anorexia een ernstig probleem is en spreker kan dan ook het voorstel van resolutie alleen maar steunen. De stigmatisering van topmodellen zal de ziekte niet doen verdwijnen, maar het probleem moet worden aangepakt via de samenleving en de fysieke idealen die er heersen. Iedereen moet zijn verantwoordelijkheid opnemen, niet alleen de mode-, foto- of danswereld.

De heer Collas erkent de relevantie van de opmerkingen inzake de bevoegdheden. Daarom vraagt de resolutie de federale regering ook om te handelen in overleg met de gemeenschappen.

Uit het onderzoek van het weekblad Joepie bij 8848 jongeren tussen 12 en 18 jaar naar hun zelfbeeld, blijkt dat 94 % van de meisjes een probleem hebben met hun lichaam. Toch hebben 80 % van die meisjes een normaal lichaamsgewicht. Er is dus iets mis met hun zelfbeeld. Het beeld dat topmodellen uitdragen, heeft natuurlijk een invloed, maar er zijn ook andere oorzaken voor het probleem. De resolutie kiest dan ook voor een multidisciplinaire aanpak.

Mevrouw Vanlerberghe vindt het voorstel van resolutie onvoldoende. Er moet in de eerste plaats worden gestreden tegen het algemene negatieve beeld dat jongeren van zichzelf hebben. Die preventietaak is een bevoegdheid van de gemeenschappen. Het federale niveau komt er aan te pas als de preventie gefaald heeft.

Het lid hecht veel belang aan de signaalfunctie. Als dat via de Centra voor Leerlingenbegeleiding moet verlopen, worden de bevoegdheden van de gemeenschappen opnieuw aangetast. Het federale niveau is wel bevoegd voor de zorgverleners, de huisartsen. Het lid wenst dat er ernstig wordt nagedacht over hoe de ziekte zo snel mogelijk kan worden opgespoord als de preventie gefaald heeft en het kwaad is geschied. Dan zal dit voorstel van resolutie werkelijk nut hebben.

Mevrouw Vanlerberghe zal amendementen indienen om de werkingssfeer van de tekst uit te breiden, zodat hij beter aansluit bij de realiteit.

B. Bespreking van de considerans en het dispositief

a. Opschrift

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt in het opschrift van de resolutie het woord « anorexia » te vervangen door de woorden « ernstige eetstoornissen ».

Uit de hoorzittingen blijkt duidelijk dat anorexia slechts een van de bestaande eetstoornissen is. Het is natuurlijk de meest sprekende en gevaarlijke vorm, maar ook boulemie en de andere stoornissen zijn gevaarlijk. Niet alleen anorexia is een probleem.

Amendement nr. 1 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

b. Considerans

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt de considerans aan te vullen met een verwijzing naar het charter dat de Vlaamse minister van Welzijn en Volksgezondheid heeft ontwikkeld voor de uitgevers, de modeontwerpers en de modellenbureaus.

De Vlaamse minister van Welzijn en Volksgezondheid heeft in 2006 een initiatief genomen om bij theater-, film- en modeshowcastings, alleen mensen aan te nemen met een gezond lichaamsgewicht. Samen met voedingsdeskundigen is een protocol opgesteld, dat is gezonden naar modellenagentschappen, uitgevers en modeontwerpers.

Amendement nr. 2 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt de considerans aan te vullen met een verwijzing naar het initiatief van de Franse Gemeenschap, waar de bevoegde minister van Jeugdbijstand eveneens een charter heeft samengesteld voor de modewereld.

Amendement nr. 1 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt de considerans aan te vullen met een zin die benadrukt dat anorexia nervosa een zeer ernstige psychiatrische aandoening is met een zeer hoge mortaliteit.

De indiensters vinden dat moet worden benadrukt dat het om een ernstige ziekte gaat met grote gevolgen.

Amendement nr. 4 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt de considerans aan te vullen met de vermelding van de rol die genetische factoren spelen in het optreden van anorexia nervosa, alsook omgevingsfactoren zoals het gezinsklimaat, de slankheidscultus, stresserende gebeurtenissen en seksueel misbruik of misbruik in het algemeen.

Het is wetenschappelijk bewezen dat genetische factoren een rol spelen bij het ontstaan van anorexia nervosa. In haar streven om de verschillende oorzaken van de ziekte te erkennen, vindt de indienster van het amendement het belangrijk de genetische factoren te vermelden, alsook de verschillende elementen die de ziekte mogelijk kunnen beïnvloeden.

Amendement nr. 5 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt de considerans aan te vullen met de vermelding van de invloed van de slankheidscultus, waarbij zij erop wijzen dat deze invloed niet alleen komt van de modebladen en de vrouwelijke modellen, maar ook van de media in het algemeen, het gezin en de peer group, de voedings- en de cosmeticawereld.

Het amendement wenst de problematiek uit te breiden en niet enkel de modewereld en de topmodellen te stigmatiseren. Alles wat op de markt komt, zowel voeding als cosmetica, is gericht op slank worden of blijven. Dat beeld krijgt men als men met een kritische blik naar de media kijkt.

Amendement nr. 6 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt de considerans aan te vullen om te benadrukken dat huisartsen slechts in 40 % van de gevallen anorexia nervosa herkennen.

Anorexia nervosa is moeilijk vast te stellen omdat patiënten hun ziekte goed kunnen verstoppen. De artsen kunnen dus slechts in 40 % van de gevallen de familie inlichten. Als het probleem echter te laat wordt ontdekt, kunnen de patiënten niet meer de beste verzorging krijgen.

Amendement nr. 7 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 8 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt de considerans aan te vullen met een verwijzing naar de noodzaak van een multidisciplinaire aanpak, met mogelijkheid tot residentiële opvang indien de behandeling dit vergt.

Een anorexiapatiënt heeft tijd nodig om opnieuw een normaal gewicht te bereiken, en het risico op een terugval is steeds latent aanwezig. Het normaliseren van het eetpatroon en het verbeteren van het psychosociaal functioneren vragen ook veel werk. Ouders kunnen niet aan hun lot worden overgelaten tijdens de behandeling van hun kinderen.

Amendement nr. 8 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt de considerans aan te vullen om eraan te herinneren dat er momenteel geen wetenschappelijk bewijs bestaat voor de doeltreffendheid van een farmacologische behandeling of voor de meerwaarde van een combinatie van een farmacologische behandeling en psychologische begeleiding.

In de praktijk blijken vaak verschillende soorten therapieën nodig om bij een patiënt resultaten te boeken.

Amendement nr. 9 wordt verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem.

c. Dispositief

Punt 1

De heer Elsen en mevrouw Delvaux dienen amendement nr. 15 in dat ertoe strekt de vermelding van de televisie-omroepsters te schrappen uit punt 1 van het dispositief.

Mevrouw Delvaux legt uit dat het lichaam voor modellen een werkinstrument is. Voor televisiepresentatrices, vaak journalistes, kunnen de BMI-criteria niet worden gebruikt. Het amendement strekt ertoe de werkingssfeer van punt 1 te beperken.

Amendement nr. 15 en het aldus geamendeerde punt 1 van het dispositief worden aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.

Punt 2

De heer Elsen en mevrouw Delvaux dienen amendement nr. 16 in dat ertoe strekt de vermelding van de presentatie in punt 2 van het dispositief te doen vervallen.

De verantwoording is dezelfde als voor amendement nr. 15.

Amendement nr. 16 en het aldus geamendeerde punt 2 van het dispositief worden aangenomen met 8 stemmen bij 1 onthouding.

Punt 10 (nieuw)

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt aan het dispositief een punt 10 toe te voegen waarin maatregelen worden voorgesteld om ernstige eetstoornissen vroeg op te sporen.

Volgens de indienster is dat een belangrijk punt. Artsen, tandartsen en gezondheidswerkers moeten beter worden opgeleid zodat zij ouders sneller kunnen waarschuwen als er problemen zijn bij hun kind. Daarnaast moet het KCE onderzoeken welk diagnostisch instrument artsen daarvoor best hanteren en moet er een meldingsplicht voor artsen komen zodat artsen ouders waarschuwen en behandeling voorstellen. Deze verplichting lijkt misschien verregaand, maar is de enige manier om te garanderen dat een patiënt al vroeg wordt geholpen.

Amendement nr. 10 wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen.

Punt 11 (nieuw)

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 11 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt aan het dispositief een punt 11 toe te voegen om aan te bevelen dat een zorgprogamma wordt erkend en wordt voorzien in de terugbetaling van psychologische begeleiding.

Anorexia is een ernstige ziekte en de behandeling ervan moet voor iedereen mogelijk zijn. De noodzaak van psychologische begeleiding kan niet worden benadrukt zonder de terugbetaling ervan te organiseren.

Amendement nr. 11 wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen.

Punt 12 (nieuw)

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 12 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt aan het dispositief een punt 12 toe te voegen waarin maatregelen worden gevraagd om te komen tot de erkenning en financiering van kenniscentra die de problematiek bestuderen.

Te weinig dokters herkennen de ziekte. Kenniscentra kunnen een belangrijke rol spelen inzake preventie door het proces op te volgen en de kennis van de verschillende gezondheidswerkers te verspreiden.

Amendement nr. 12 wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen.

Punt 13 (nieuw)

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 13 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt aan het dispositief een punt 13 toe te voegen waarin gevraagd wordt maatregelen te treffen samen met de gemeenschappen om ook de ouders actief bij de behandeling te betrekken.

Mevrouw Vanlerberghe legt uit dat de behandeling meerdere maanden duurt maar dat de jongeren op een bepaald moment toch terug in hun eigen omgeving terechtkomen. Als de ouders niet van bij het begin bij de psychologische en medische begeleiding werden betrokken, is het voor hen erg moeilijk hun kind op de juiste manier op te vangen.

Amendement nr. 13 wordt verworpen met 8 tegen 2 stemmen.

Punt 14 (nieuw)

De dames Vanlerberghe en Temmerman dienen amendement nr. 14 in (stuk Senaat, nr. 4-755/2) dat ertoe strekt aan het dispositief een punt 14 toe te voegen waarin wordt gevraagd een website op te starten over eetstoornissen.

Uit de hoorzittingen is gebleken dat websites met waarschuwingsboodschappen in Nederland efficiënt zijn. Jongeren maken veelvuldig gebruik van het net en een website met de gegevens van een centrum waar zij anoniem terecht kunnen, kan nuttig zijn.

Volgens de heer Collas zit de inhoud van alle amendementen van de dames Vanlerberghe en Temmerman al vervat in ofwel de considerans ofwel het dispositief van het voorstel van resolutie. Daarom zijn zij ook verworpen. Amendement nr. 14 is het enige dat een meerwaarde geeft aan de tekst. Hij stelt voor dit aan te nemen en het in te voegen achter punt 4 van het dispositief.

Amendement nr. 14 wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden als punt 4bis (nieuw).

IV. STEMMINGEN

Het geamendeerde voorstel van resolutie wordt aangenomen met 8 stemmen bij 2 onthoudingen.

Mevrouw Vanlerberghe wijst er nogmaals op dat de amendementen werden opgesteld op basis van wat de senatoren bij de hoorzittingen hebben gehoord. Zij betreurt dat zij alle zijn verworpen omdat zij van de oppositie uitgingen. In ernstige materies als dit moet de tegenstelling meerderheid-oppositie kunnen worden overstegen. Daarom heeft zij zich bij de eindstemming onthouden.

Ten gevolge van deze stemming vervallen de voorstellen van resolutie 4-37/1 en 4-154/1.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Christiane VIENNE. Nahima LANJRI.

Tekst aangenomen door de commissie (zie stuk Senaat, nr. 4-755/4 – 2007/2008)


BIJLAGE


Hoorzitting met :

— mevrouw Myriam Vervaet, professor UGent;

— dr. Yves Simon, ULB;

— prof. dr. Katia Segers, VUB, directeur CEMESO.

Mevrouw Myriam Vervaet, professor UGent

Mijn uiteenzetting is niet alleen gebaseerd op het universitair onderzoek over anorexia nervosa, maar ook op de ervaring in ons universitair centrum, waar we volwassenen en jongeren vanaf 15 jaar poliklinisch en residentieel behandelen. Het centrum beschikt over 21 bedden.

Anorexia nervosa heeft verschillende kenmerken. Er is om te beginnen de weigering van een « normaal » lichaamsgewicht. De patiënt streeft bewust naar gewichtsverlies door systematisch dikmakende producten te vermijden, vrijwillig te braken, te purgeren, overmatig te bewegen en soms ook door eetlustremmers te gebruiken. Heel het lichaamsbeeld van deze jonge populatie staat in het teken van een overbezorgdheid, soms zelfs een obsessionele angst om dik te worden, ook al hebben de patiënten niet eens het voor hun leeftijd en lengte normale gewicht. Er spelen ook endocrinologische problemen mee. We moeten dus een onderscheid maken tussen psychologische en lichamelijke factoren.

De prevalentiecijfers zijn in de Westerse landen vrij gelijklopend. Voor België beschikken we niet over specifieke cijfers. Er is een lifetime prevalentie van minder dan één procent. Als we ons tot de strikte omschrijving beperken komt de aandoening in het geheel van de bevolking minder voor dan schizofrenie. We zien echter vaak meisjes die nog niet aan de strikte criteria voldoen, maar zelfs tijdens de therapie zoveel gewicht verliezen dat we minstens psychologisch van een anorexiaprofiel kunnen spreken, aangezien ze recht op het volledige beeld afstevenen. De aandoening komt vooral bij vrouwen voor. De sekseratio loopt zelfs op tot negen vrouwen tegenover één man. De grootste risicogroep zijn vrouwen van 15 tot 29 jaar. We zien wel een stijgende incidentie, en dit in tegenstelling tot de verwante stoornis boulimia nervosa.

Anorexia nervosa is een zeer ernstige psychiatrische aandoening. Ze heeft de hoogste mortaliteit van alle psychiatrische beelden. De standard mortality ratio, de kans dat men vroegtijdig sterft, ligt twaalf maal hoger dan bij leeftijdsgenoten en twee maal hoger dan bij andere psychiatrische stoornissen. Het risico op suïcide ligt 33 maal hoger dan bij leeftijdsgenoten en 1,5 maal hoger dan bij een majeure depressie. Er is een zeer complexe lichamelijke en psychologische co-morbiditeit. Dat wil zeggen dat die meisjes naast de lichamelijke complicaties vaak ook depressief en angstig zijn. De behandelingsduur is gemiddeld vijf à zes jaar. 50 % van de patiënten herstelt na de behandeling, 30 % verbetert en 20 % blijft chronisch met de aandoening kampen.

Er is een zeer ongunstige prognose voor meisjes die een laag gewicht nastreven niet alleen door bepaald voedsel te vermijden, maar ook door te purgeren en te braken, en voor meisjes die zich laattijdig aanmelden. Patiënten die zich laattijdig aanmelden, kunnen we niet optimaal behandelen.

Experts kunnen de diagnose stellen zonder uitvoerige lichamelijke screening, op basis van positieve criteria. Maar, zelfs bij ondergewicht, herkent de huisarts slechts in 40 % van de gevallen anorexia nervosa.

Er is niet één causaal verband voor het optreden van anorexia nervosa. Genetische factoren spelen een grote rol. We zien een verstoorde serotonerge activiteit. Er is een zeer duidelijke persoonlijkheidstrek : perfectionisme en vaak ook rigiditeit en competitiviteit. Perfectionisme en competitiviteit worden in onze maatschappij bijzonder gewaardeerd. Met andere woorden, een kenmerk dat tot een zeer ernstige pathologie kan leiden, wordt in onze maatschappij zeer sterk gestimuleerd.

Naast de genetische factoren zijn ook omgevingsfactoren zeer belangrijk. Een gezinsklimaat met een sterke nadruk op prestatie, een slankheidscultus, stresserende levensgebeurtenissen, seksueel misbruik of misbruik in het algemeen zijn grote risicofactoren.

Eenmaal de ziekte zich ontwikkeld heeft en betrokkene op die bepaalde manier met zichzelf en de buitenwereld begint om te gaan, spelen onderhoudende factoren een rol. In de manier waarop de patiënten hun omgeving waarnemen, stellen we duidelijk denkfouten vast en opnieuw rigiditeit.

Ik stel kort een therapeutisch werkmodel voor dat op internationaal vlak voldoende onderbouwd is.

De hypothese is dat aan de basis van de ontwikkeling van anorexia nervosa een angstige persoonlijkheid ligt. Een angstige persoonlijkheid leidt vaak tot zogenaamd klinisch perfectionisme. Wanneer die angstige persoon terzelfder tijd heel kwetsbaar is op sociaal vlak en in zijn omgeving weinig sociale status percipieert kan dat het risicoprofiel zijn waarin anorexia nervosa een voedingsbodem kan vinden.

Een persoon die perfectionistisch is, is zeer gevoelig voor de normen en idealen die gelden in zijn onmiddellijke en ruimere omgeving. Vanuit zijn perfectionisme wil hij maximaal aan die normen voldoen. Die voedingsbodem leidt vaak tot een grote lichaamsontevredenheid.

Op het vlak van de behandeling evolueren we heel duidelijk in de richting van een multidisciplinaire aanpak, gericht op herstel van het gewicht, normaliseren van het eetpatroon en verbeteren van het psychosociaal functioneren. We opteren voor een outpatient treatment, dus een poliklinische behandeling, maar met residentiële back-up. Heel wat patiënten moeten gedurende de normale behandelingsduur van vijf tot zes jaar voor korte of langere perioden in een ziekenhuis worden opgenomen wegens grote risico’s op lichamelijk en op psychologisch vlak.

Er is op het ogenblik geen enkele wetenschappelijk gefundeerde evidentie voor een farmacologische behandeling of meerwaarde van een combinatie van een farmacologische behandeling en een psychologische begeleiding. Een dieet alleen is absoluut gevaarlijk en het is ook bewezen dat een ondersteunende therapie alleen geen enkel nut heeft. Met andere woorden, anno 2007 weten we dat er alleen resultaten bereikt worden met een psychotherapie waarbij motiverende interventies gevolgd worden door wetenschappelijk gebaseerde psychotherapieën en een systeemtherapie bij jonge patiënten.

In België is er jammer genoeg geen wetgeving rond psychotherapie; psychotherapie wordt bij de meeste erkende psychotherapeuten niet terugbetaald.

Dat brengt met zich dat mensen, vaak zonder enige professionele opleiding, deze hoge risicogroep naar zich toetrekken en met allerlei commerciële behandelingen de tijd rekken die zo kostbaar is en verloren gaat voor een efficiënte behandeling.

Als er een wetgeving ter zake wordt uitgewerkt, moet er dus een kader worden geschapen waarin deze ernstig zieke meisjes kunnen worden behandeld door een professioneel multidisciplinair team onder leiding van een psychiater of klinisch psycholoog, met een specialisatie in de psychotherapeutische aanpak en de behandeling van eetstoornissen met gecombineerde aanpak.

De heer Yves Simon, ULB

Mijn uiteenzetting sluit aan bij het betoog van professor Vervaet van de UGent.

In de voorstellen van resolutie en in het wetsvoorstel wordt er al op gewezen dat in onze samenleving beelden en boodschappen verspreid worden als zou de norm voor het gewicht van vrouwen veel lager zijn dan de fysiologische waarden die overeenstemmen met een normale voedingstoestand. Bovendien worden die gewichtsnormen voorgesteld als een streefdoel dat binnen ieders bereik ligt. Dat klopt niet, want ons gewicht is niet beheersbaar.

De meeste vrouwen zullen nooit dat onrealistisch ideaal kunnen bereiken, tenzij ze hun gezondheid op het spel zetten. Steeds meer vrouwen en meisjes zijn ontevreden over hun gewicht en hun figuur en willen vermageren, terwijl ze een normaal gewicht hebben.

Uit een studie die in 1985-1986 gevoerd is in de regio Haute-Marne blijkt dat meisjes en jongens op een heel verschillende manier met hun lichaam omgaan. Dat verschil neemt toe met de leeftijd tijdens de puberteit. Uit recente studies blijkt dat dit fenomeen zich verspreid en ook steeds vroeger opduikt.

Het tot ideaalbeeld verheffen van de slankheidsnorm en de onderliggende waarden ervan kan een vorm zijn van psychische druk of dwang. Dat is een belangrijk element. Het is een machtig en sluipend gevaar dat alle vrouwen bedreigt : het heeft geen specifieke oorsprong en het wordt als natuurlijk omschreven.

Dat leidt ertoe dat vrouwen en steeds jongere meisjes een caloriearm dieet gaan volgen, met als meest waarschijnlijk gevolg geen gewichtsverlies, maar een gewichtstoename. We weten met zekerheid dat bij kinderen een caloriearm dieet tot overgewicht en zwaarlijvigheid leidt, twee belangrijke risicofactoren voor de ontwikkeling van een eetstoornis tijdens de adolescentie.

Talrijke argumenten staven deze vaststellingen. Zo komen jongeren die een caloriearm dieet volgen meer bij dan jongeren die dat niet doen. Door de beperking die ze zich opleggen krijgen ze bovendien te maken met eetbuien. Boulimia nervosa of vraatzucht wordt gekenmerkt door verlies van de beheersing van het eetgedrag waardoor de jongere grote hoeveelheden voedsel tot zich neemt. Dat komt vaker voor bij meisjes.

Het is bekend dat ontevredenheid over het eigen lichaam een specifieke en belangrijke risicofactor is voor de ontwikkeling van eetstoornissen. Die ontevredenheid wordt gemeten aan de hand van vragenlijsten of men kan in studies of experimenten verschillende silhouetten aan de proefpersonen voorleggen. De ontevredenheid over het eigen lichaam is dan gelijk aan het verschil tussen de voorstelling die men heeft van het eigen figuur en van het ideale figuur. In het voorbeeld op het scherm, heeft de betrokken jonge vrouw in werkelijkheid een Body Mass Index (BMI) van 20, wat bijvoorbeeld overeenstemt met een gewicht van 51 of 52 kg voor een lengte van 1,60 m. Zelf schat ze haar lichaamsmaten op een BMI van 25, wat zou overeenstemmen met een gewicht van 64 kg, terwijl ze als ideaal een BMI van 18 nastreeft, of een gewicht van 46 kg. Het verschil is 18 kg. Voor de meeste vrouwen, vooral vrouwen met eetstoornissen en a fortiori vrouwen die lijden aan mentale anorexia, speelt alles zich af tussen de oren. Een rationele aanpak is dus gedoemd tot mislukken.

Het verschil tussen het ideale lichaam en het eigen lichaam wordt alsmaar groter, want de mannequins worden steeds magerder, terwijl het gemiddelde gewicht van vrouwen neemt toe.

Slechts één tot drie procent van de vrouwen kunnen zulk een laag gewicht behouden als ze jong zijn.

Wat is de invloed van de sociale normering op de ontevredenheid over het eigen lichaam ? Hoe komt het dat die culturele normen ontevredenheid veroorzaken ?

Niet iedereen die geconfronteerd wordt met de boodschap en de beelden die de slankheidsnorm uitdragen, ontwikkelt een eetstoornis. Slechts een klein aantal vrouwen lijden aan mentale anorexia. Twee factoren dragen ertoe bij dat de sociale druk om slank te zijn omslaat in ontevredenheid over het eigen lichaam. In de eerste plaats de mate waarin de sociale norm geïnternaliseerd wordt : hoezeer gelooft men dat om gelukkig en succesvol te zijn men slank moet zijn, en dat het gewicht beheersbaar is. Een tweede factor is de neiging om zich met anderen te vergelijken.

We beschikken over een model dat het vorige model aanvult en de ontevredenheid over het eigen lichaam in verband brengt met de socioculturele invloeden. Die invloeden zijn divers. Het betreft niet alleen websites waar anorexia gepromoot wordt en modebladen, maar ook de media in het algemeen. Als men vrouwen beelden voorlegt van slanke vrouwen, kan men een stijgende mate van ontevredenheid vaststellen. Vrouwen die naar beelden kijken van zeer magere vrouwen ervaren negatieve gevoelens als verdriet, angst, schaamte en schuld. Worden ze echter geconfronteerd met beelden van vrouwen met een normaal gewicht of een gewicht dat hoger is dan het gemiddelde, dan stellen we geen toename van de ontevredenheid over het eigen lichaam vast.

Ook het gezin speelt een rol. Er werd veel onderzoek verricht naar de rol van de moeder. Als moeders kritisch zijn voor hun eigen lichaam, zijn de dochters dat ook. Dochters die lijnen en piekeren over hun gewicht hebben moeders die in hun leven meer diëten hebben gevolgd dan de moeders van meisjes die niet lijnen. Moeders die willen dat hun dochter slank is of ze aanmoedigen om af te vallen hebben kinderen die meer lijnen dan de andere moeders. Maar uiteraard hebben niet alleen de moeders enige invloed.

Ook de invloed die van de vaders uitgaat is bepalend. In een recente studie werd gedurende acht jaar een populatie van duizenden kinderen gevolgd om te onderzoeken welke factoren met de meeste zekerheid leiden tot dieetgedrag en eetstoornissen. Daaruit bleek dat de invloed van de vaders doorslaggevend was om jonge meisjes aan te zetten tot het volgen van een dieet. De commentaar van de vaders op het gewicht van hun dochters worden in verband gebracht met een grotere ontevredenheid over het eigen lichaam en vaders die hun tienjarige dochters aanmoedigen om af te vallen hebben dochters die dieet volgen en bijgevolg overgewicht zullen vertonen.

Verschillende studies tonen ook aan dat spot, van welke aard ook, een negatieve invloed heeft, maar dat grappenmakerij door vaders en oudere broers het meest nefast is.

Naast de invloed van de media, het gezin en de ouders, gaat er uiteraard ook een invloed uit van de peer group. Adolescenten willen gelijken op hun leeftijdsgenoten, onder meer wat de fysieke verschijning betreft. Ze hechten immers, meer dan volwassenen, belang aan hun fysieke verschijning. Tieners denken dat ze meer geliefd zijn bij leeftijdsgenoten als ze slanker zijn. Slank wordt geassocieerd met sociaal aantrekkelijk.

De verinnerlijking van de sociale normering die veel waarde hecht aan slankheid en de vrees voor overgewicht is evenwel niet het enige proces dat een rol speelt. Ook het proces van sociale vergelijking is van belang. Bij gebrek aan vaststaande objectieve standaarden, bepalen en evalueren we onze persoonlijke kenmerkende vaardigheden door ze te vergelijken met die van anderen. Dat zei Festinger in 1954. Ook al bestaan er criteria voor een maximum- en minimumlichaamsgewicht, toch is het oordeel over het eigen gewicht zeer subjectief en is men geneigd zichzelf gemakkelijk met anderen te vergelijken.

In die experimentele procedure stijgt de psychologische stress en de ontevredenheid wanneer men aan jonge vrouwen vraagt om zichzelf te vergelijken met beelden van slanke vrouwen.

Ik wil niet terugkomen op de statistieken die mevrouw Vervaet heeft toegelicht. Ik wil alleen aanstippen dat alle meisjes, en dus niet alleen meisjes die lijden aan anorexia nervosa, met die sociale norm en die socioculturele invloed worden geconfronteerd. Men gaat ervan uit dat momenteel 15 % van de jongeren problemen hebben met hun eetgedrag. Een klein gedeelte daarvan lijdt aan boulimia nervosa en nog een kleiner gedeelte aan anorexia nervosa, die beide ernstige ziekten zijn. Sommige meisjes vertonen klinische symptomen die in verband worden gebracht met gelijkaardige psychische stresstoestanden, met gevolgen op lange termijn die eveneens erg gelijk lopen met die welke waargenomen worden bij mensen die lijden aan ziekten die klinisch zijn vastgesteld volgens de klassieke diagnosecriteria. Zo zien we dat van de meisjes die een vrij streng dieet volgen of die eetstoornissen vertonen, 66 % tien jaar later een hulpverlener raadplegen wegens somatische of psychische klachten of wegens sociale moeilijkheden, tegen slechts 22 % van de jongeren die geen dieet hebben gevolgd en 32 % van de jongeren met andere mentale stoornissen. Dieet volgen kan dus grote gevolgen hebben.

Naast de psychosociale en specifieke factoren rond eetstoornissen die een doorslaggevende rol spelen in de ontwikkeling van deze medische problematiek zijn er nog andere aanverwante specifieke en niet-specifieke factoren, zoals een situatie van ontreddering bij de ouders, problemen met de veilige hechting van het kind in het gezin, maar ook geweld en fysiek misbruik.

De ouders verenigd in MIATA, maison d’information et d’accueil des troubles de l’alimentation, hebben mij gevraagd hier enkele van hun overwegingen met betrekking tot de voorstellen van resolutie en het wetsvoorstel te vertolken.

De druk om slank te zijn komt niet alleen van de modebladen en advertenties, maar van alle media. De oudervereniging van jongeren met eetstoornissen wijzen op de impact van de reclame die raakvlakken heeft met productieprocessen en met de cultuur. Niet alleen de modewereld, ook de voedings- en de cosmetica-industrie dragen verantwoordelijkheid. De invloed van de maatschappelijke norm mag evenmin worden onderschat.

Als er in een gezin anorexia nervosa opduikt gebeurt het vaak dat vrienden en kennissen een andere houding aannemen omdat ze ervan uitgaan dat het te maken heeft met de situatie in het gezin. Toen Lasègue in 1865 anorexia nervosa beschreef, werd een model naar voren geschoven waar de oorzaak van eetstoornissen te vinden was in het slecht functioneren van het gezin. Uit bevindingen van de ploeg van het Maudsley Hospital in Londen bleek echter dat 80 % van die gezinnen volkomen normaal functioneren. Het is precies het opduiken van deze ziekte, die de gezondheid of zelfs het leven van de jongere bedreigt, die leidt tot gedragingen vanwege de ouders die van aard zijn om de ziekte in stand te houden.

De therapeutische procedures houden rekening met de elementen die voortvloeien uit studies op grote schaal.

De ouders wijzen erop dat het voor hen belangrijk is te worden gesteund in de hulpverlening die ze hun kind zelf kunnen bieden, niet alleen in de confrontatie met de maatschappelijke norm, maar ook op het vlak van de behandeling. Het staat immers vast dat de beste resultaten worden bereikt wanneer de therapie wordt ingebed in de uitoefening van de ouderlijke en de opvoedkundige begeleiding.

Tot slot wil ik er nogmaals op wijzen dat bij anorexia nervosa en aanverwante stoornissen de verantwoordelijkheid niet alleen bij het individu ligt, maar ook bij de gemeenschap.

Mevrouw Katia Segers, VUB, directeur CEMESO

Ik werd gevraagd als communicatiewetenschapper en ik zal mij dan ook strikt beperken tot de rol van de media. Mijn uiteenzetting zal ook zo veel mogelijk beleidsgericht zijn.

Het uitgangspunt in deze bijzonder moeilijke materie is complexiteit. De voorstellen hebben allemaal betrekking op anorexia nervosa, maar de problematiek moet volgens mij worden uitgebreid tot eetstoornissen, zoals boulimie, binging en alle mogelijke varianten. De problematiek is ook niet langer beperkt tot adolescenten en jonge vrouwen. Steeds jongere meisjes en ook jongens, over wie bijna nooit wordt gesproken, en oudere vrouwen zijn vatbaar voor deze ziekte. Grosso modo zij er vier clusters van factoren die een rol spelen bij de ontwikkeling van anorexia : biologische, psychologische, familiale en sociaal-culturele factoren. Ik wil het vooral hebben over de rol van de sociaal-culturele factoren, met name de rol van peergroup en de media.

De media worden vaak met de vinger gewezen. Ze zijn inderdaad omnipresent in het leven. Zo is televisiekijken voor de meeste Vlamingen nog altijd de belangrijkste tijdsbesteding naast werken en slapen. De media bereiken ons in verschillende vormen : er zijn niet alleen televisie, radio en de gedrukte media zoals magazines, ook internet wordt steeds belangrijker. De media spelen een belangrijke rol in de constructie van identiteit, genderrol, waarden en normen, zeker voor jongeren.

De media promoten het slankheidsideaal en, meer zelfs, het magerheidsideaal. De idolen en iconen die de media ons presenteren zijn mooie, succesrijke en slanke mensen. De link tussen slankheid en aantrekkelijkheid, succes en zelfcontrole is dus evident.

Wat ons hier vandaag meer interesseert is dat de media ook steeds meer een rol spelen in de verspreiding van het gezondheidsdiscours.

Vroeger was het politiek niet-correct te spotten met dikke mensen. Vandaag culpabiliseren de media wie dik is. Obesitas is immers een ziekte die de staat handenvol geld kost. De media focussen op de mededeling dat dik zijn gelijk staat met ongezond. Dat is juist, maar wie niet aan het slankheidsideaal voldoet wordt aldus wel met de vinger gewezen.

Denken we ook aan de talrijke dieetprogramma’s, vaak met een wetenschappelijk tintje, zoals de programma’s op Vitaya, Vijf tv, Sonja Kimpen, die ons voorhouden hoe slank we moeten zijn. Vandaag verleent slankheid een sociaal-economische status. Obesitas is sociaal gerelateerd. We krijgen dus duidelijk een tweedeling in de maatschappij, waar slankheid gereserveerd is voor de hogere klasse die zich dure work-out’s, abonnementen voor fitnessprogramma’s, dure manieren van koken zoals slow food, kan veroorloven, en de couch potatoes en fastfood die geassocieerd worden met de lagere sociale klasse.

Beeld en realiteit komen echter niet met elkaar overeen. In de realiteit zien we dat vrouwen steeds zwaarder worden, terwijl het schoonheids- en slankheidsideaal « vermagert ».

Inhoudsanalytisch onderzoek terzake toont aan dat het vrouwbeeld in de media zeer sterk is geëvolueerd sinds de jaren vijftig. Uit onderzoek gevoerd naar de evolutie van de Body Mass Index en de vorm van Miss America-kandidaten en Playboy centerfold-modellen blijkt dat het ideaal in de jaren vijftig nog een vrouw met voluptueuze vormen was, zoals Marilyn Monroe, maar dat het tegen 1980 geëvolueerd was tot de heroïne chic van Kate Moss, met extreem magere meisjes. Vandaag zeggen modeontwerpers dat hun ontwerpen het best passen op vrouwen als kapstokken en krijgen we ultramagere media-idolen te zien. Ook uit onderzoek uitgevoerd door mijn departement blijkt dat actrices en zangeressen door de jaren heen er steeds magerder uit zien.

Wat het effect is van een beeld in de media op de ontwikkeling van ziektes, het zelfbeeld en het schoonheidsideaal bij meisjes is voor communicatiewetenschappers een moeilijke, zo niet dé moeilijkste vraag. Kan er een causaal verband worden vastgesteld tussen het slankheidsbeeld in de media en het ontstaan van eetstoornissen ?

Effectonderzoek wordt al uitgevoerd sedert de jaren dertig, vooral naar het effect van film op kinderen. Meestal gebeurt effectonderzoek in een context van moral panic, denk maar aan de zaak-Van Themsche en de vraag naar de rol van gaming op de ontwikkeling van gewelddadig gedrag. De vraag naar de rol van de media in de ontwikkeling van eetstoornissen wordt vaak afgedaan als moral panic. Ik denk dat het verkeerd is om het als dusdanig af te schilderen, wat niet betekent dat ik een kant en klaar antwoord heb, want het effectonderzoek heeft nog niet tot een sluitende conclusie geleid. Historisch ziet men ook een pendelbeweging in de bewering of er al dan niet een effect uitgaat van de media.

De huidige communicatiewetenschappers huiveren voor een al te unilineaire causaliteit. Dat zou al te simplistisch en deterministisch zijn, zo wordt beweerd. Interpretatief onderzoek stelt daar tegenover dat mediagebruikers geen willoze sponzen zijn, die alles opslorpen wat hen door de media wordt voorgeschoteld als een louter stimulus-responsreactie. Ze gaan integendeel zeer actief om met de media : betekenis geven is negociatie. Mensen verzetten zich zelfs vaak tegen wat de media hen voorspiegelen.

Niettemin is een ruime onderzoekstraditie ontwikkeld met betrekking tot dit vraagstuk. Het is opmerkelijk dat dit het meest uitgebreid is in de medische, psychiatrische en psychologische literatuur. Het gaat vaak om eerder positivistisch onderzoek, dat uitgaat van het stimulus-respons paradigma. Zo is er bijvoorbeeld onderzoek dat een verband legt tussen het lezen van magazines en diëten of tussen het lezen van magazines en de impact op het zelfbeeld van vrouwen.

Er is veel minder communicatiewetenschappelijk onderzoek naar dit effect. Dat staat in schril contrast met de groeiende hoeveelheid literatuur in communicatiewetenschappelijke tijdschriften die betrekking heeft op voeding in het algemeen. Zo heb ik een doctoraatsonderzoek lopen rond het voedingsdiscours vanuit de marketing versus de signalen die door scholen en andere pedagogische instanties daarover worden gegeven. Er is ook gigantisch veel literatuur over de effecten van reclame op kinderen.

Effectonderzoek zal altijd moeilijk zijn omdat het mediagebruik van jongeren sterk gefragmenteerd is. Media worden ook gekenmerkt door een veelheid aan beelden en verschijningsvormen. Het is vooral moeilijk de impact van de media te ontrafelen in relatie tot andere factoren, bijvoorbeeld de rol van peers, familie, psychologische en medische factoren. Een strikt causale relatie is bijzonder moeilijk aan te tonen.

Niettemin bestaan er tal van mogelijke invalshoeken om toch aan communicatiewetenschappelijk onderzoek te doen. Doorgaans stopt dat onderzoek echter bij pathologieën.

Dat betekent niet dat er geen onderzoek bestaat. Zo is er het belangrijke uses and gratifications-onderzoek over hoe mensen omgaan met media. Hoe worden modebladen gebruikt door anorexische vrouwen ? Geconcludeerd wordt dat er sprake is van cognitieve dissonantie : anorexische vrouwen gebruiken de media heel doelbewust en functioneel, in de zin van « geruststellend ». Zij vinden in de media een bevestiging dat het slankheidsideaal garant staat voor succes en dat hun gedrag niet excessief is. Anorexische vrouwen vermijden alarmerende berichtgeving en gebruiken geruststellende informatie om hun eetstoornis te legitimeren en voort te zetten.

Uit onderzoek naar de relatie tussen de mate van effect en psychosociale variabelen blijkt dat vrouwen met sterke kwetsbaarheid als gevolg van verstoorde ouderrelaties, sociale isolatie en misbruik en vrouwen met een laag zelfbeeld inzake uiterlijk vatbaarder zijn voor beelden uit modemagazines.

Het effect van mediabeelden op de tevredenheid over hun lichaam bij vrouwen kan wel degelijk worden vastgesteld, vooral bij vrouwen die zichzelf sterk definiëren in relatie tot gewicht, vorm en schoonheid. Dat effect is er een van activatie en niet van cultivatie. Ondanks het schoonheidsideaal dat in de media wordt gepromoot, is de overgrote meerderheid van de vrouwen niet anorexisch. Bij vrouwen die een aanleg hebben, kunnen de media echter de ziekte activeren en vooral voortzetten.

Anorexische vrouwen zullen actief gebruik maken van de media om op zoek te gaan naar informatie die kan bevestigen dat ze goed bezig zijn. Tijdens het genezingsproces zeggen vrouwen heel bewust die media te vermijden.

De rol van de media is dus veeleer versterkend. Media zetten niet per se aan tot anorexia.

De relatie tussen eetstoornissen en de media is niet zozeer causaal dan wel interactioneel. De media promoten een verstoord eetgedrag via de promotie van het slankheidsideaal. Ze zetten echter niet per se aan tot de ontwikkeling van een pathologie. Hun effect is sterk gerelateerd aan psychosociale factoren. Het zou interessant zijn te onderzoeken wat het effect is van de zelfdefinitie van vrouwen in relatie tot genderidentiteit. Er bestaan indicaties dat vrouwen die in een zeer competitieve omgeving werken, neiging hebben om anorexia te ontwikkelen.

Naar een exact inzicht in de psychologische processen en mechanismen verbonden met mediagebruik en de interpretatie van mediaboodschappen is nog te weinig onderzoek gedaan. Dat vergt vooral kwalitatief onderzoek.

Het gaat dus om een complex proces. De factoren voor een verklaring tellen meerdere lagen. Er is de blootstelling aan veelvuldige mediastimuli en er is duidelijk een activeringseffect.

We moeten dan ook concluderen dat de huidige voorstellen niet volstaan. Er is nood aan actie en regulering op verschillende fronten. Zo is de verplichte BMI-index voor modellen een eerste stap, maar hij zou moeten worden uitgebreid tot televisiepresentatrices en deelneemsters aan schoonheidswedstrijden. Ook zou met de vrouwenmagazines en de adverteerders een charter kunnen worden opgesteld inzake hun discours over gezondheid, diëten en schoonheidsideaal. De bestaande sensibiliseringscampagnes rond gezonde voeding in de scholen, zoals Tutti Frutti, kunnen worden uitgebreid. Ook kan worden gekeken naar de recente Nederlandse wetgeving inzake de reclame voor voeding voor kinderen.

Gedachtwisseling

Mevrouw Christiane Vienne (PS). — Bent u het ermee eens dat er een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen anorexia als psychische aandoening en eetstoornissen, tot en met obesitas ? Zo hebben wij de twee problemen alleszins van elkaar gescheiden.

Ik heb de indruk dat anorexia een zwaar psychologische of zelfs psychiatrische dimensie heeft, met name de postanorexiaperiode.

Denkt u dat na vijf jaar behandeling een volledige genezing mogelijk is ?

U hebt verklaard dat 60 % van de patiënten die voor anorexia behandeld werd, nadien lijdt aan psychische stoornissen. Hoe vergaat het de andere 40 % ? Heeft men een idee van het effect van anorexia op de geestelijke gezondheid van de betrokken groep ?

Het verheugt me dat de rol van het gezin enigszins gerelativeerd werd.

Er is een evolutie van de voedingsmiddelenmarkt : we vinden almaar meer dieetproducten in de rekken van de supermarkten. De apotheken en de afdeling « vermageren » nemen een steeds groter deel van de markt in. Moet dat marktsegment volgens u gereguleerd worden ? Stelt u in uw medische praktijk een oorzakelijk verband vast tussen het verhoogde aanbod van dieetproducten en anorexia ?

Aan welke richtinggevende maatregelen denkt u om de doeltreffendheid van de preventie te verhogen ? Ondanks de campagnes voor gezonde voeding en het Nationaal Plan Voeding en Gezondheid, blijven de anorexiaproblemen toenemen. Wat vindt u van de efficiëntie van dat nationaal plan ?

De heer Berni Collas (MR). — Er wordt vaak gesproken over de Body Mass Index. We hebben soms de indruk dat dit het enige criterium is om de ernst van een situatie te bepalen. Moet anorexia niet op een bredere manier worden geanalyseerd ?

Tijdens de contacten die we hebben gehad vóór het schrijven van onze resolutie hadden we het gevoel dat er geen volledige statistieken ter beschikking zijn. Deelt u die mening ?

Wat denkt u over de websites over anorexia ? Moet de wetgever hier optreden ? Moeten ze verboden, beperkt, omkaderd worden ?

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-Vl. Pro). — Voor preventie is het Vlaams Parlement bevoegd. Toch wil ik er hier op ingaan, nu we de experts bij ons hebben.

Van de laatste spreekster kregen we overigens een advies mee dat heel direct over preventie gaat. In een ideale wereld zouden we alleen preventief moeten optreden, maar de realiteit is anders. Daarom wil ik graag vernemen welke adviezen de experts hebben in verband met het genezingsproces. Op het federale niveau mogen we enkel nadenken over wat er kan gebeuren als het te laat is.

Op de grens tussen het preventieve en het curatieve zie ik de meldingsplicht. Meldingsplicht vanuit de scholen hoort eigenlijk ook weer thuis in het Vlaams Parlement, maar dat laat ik nu even buiten beschouwing.

Over alle mooie preventie-ideeën bestaat er geen discussie meer. Maar wat denken de experts over een meldingsplicht voor scholen, huisartsen en misschien nog anderen ? Mij valt het op dat vooral de ouders meestal heel laat beseffen dat hun kind een probleem heeft. Als ouder heeft men behoefte aan anderen die meekijken. Ik weet dat CLB’s nu officieel niet kunnen en mogen signaleren dat er een probleem is. Sommige doen het gelukkig wel en dat is een heel grote stap. Daarnaast zijn er ook de huisartsen. Zou het niet goed zijn aan een dergelijke meldingsplicht te werken, hoe hard dat in de praktijk ook moge aankomen ? Met alle respect voor de ouders, maar op dat vlak zijn ze vaak ziende blind. Men heeft als ouder eigenlijk geluk als iemand het probleem meldt voor het te laat is. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de ouders op een verantwoorde manier de ogen wordt geopend ?

Ik hoor hier voortdurend zeggen dat anorexia een puur mentale ziekte is. Dat lijkt me correct te zijn. Ik hoorde hier ook spreken over een genezingsperiode van vijf jaar. Ik dacht nochtans dat men van die ziekte nooit geneest en dat men steeds moet blijven opletten. Graag kreeg ik daarover wat meer uitleg.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). — We hebben de neiging om anorexia te koppelen aan de puberteit, maar er zijn ook de campagnes tegen zwaarlijvigheid. Kinderen worden daarom jammer genoeg met tegenstrijdige boodschappen geconfronteerd. De leeftijd waarop jongeren met anorexia te maken kunnen krijgen, zou voortdurend dalen. Bestaan er statistische gegevens over dat onderwerp ? Besteden de CLB-centra hier aandacht aan bij de gezondheidscontroles ?

We koppelen anorexia ook vaak aan de invloed van de reclame en de mode. Ik denk echter dat ook de invloed van de sport moet worden bestudeerd. Op dat domein kan misschien nog meer schade worden berokkend, omdat het daar niet gaat om het esthetische beeld van het lichaam, maar wel om de prestaties van dat lichaam. Kan uit de bestaande studies worden afgeleid dat er een verband is tussen sportactiviteiten en anorexia ?

Ik heb ook vragen bij een reclameaffiche met een mannequin die aan anorexia lijdt, die op verschillende plaatsen op een vrij confronterende manier werd getoond. Denkt u dat dit schokeffect afschrikkend kan werken of kan het leiden tot een soort ontkenning van de werkelijkheid van anorexia ?

Als anorexia een ziekte is, kan men er dan van genezen ? Kan die ziekte, die u als een psychische aandoening omschreven hebt, muteren in andere vormen van neurose ?

De heer Marc Elsen (cdH). — Ik zal beginnen met een algemene beschouwing, dan vier vragen stellen en eindigen met een laatste beschouwing.

We moeten deze kwestie zo breed mogelijk benaderen. Als uitgangspunt moeten we de definitie nemen die de WHO aan gezondheid heeft gegeven, namelijk het welzijn op algemeen, geestelijk, sociaal en milieugebied, en gezondheid niet uitsluitend zien als een staat van « niet ziek zijn ».

De uiteenzettingen van de sprekers kunnen de indruk wekken dat we eetstoornissen kunnen opdelen in, enerzijds, stoornissen als gevolg van nabootsingsgedrag en, anderzijds, anorexia nervosa als psychische pathologie ten gevolge van meer structurele affectieve en relationele problemen. Mijn vraag is eenvoudig : gaat het om twee verschillende zaken of is er, zoals bij psychische aandoeningen vaak het geval is, een samenhang tussen die twee fenomenen ? Het is belangrijk om te weten vanaf welk stadium dit een probleem van volksgezondheid wordt.

Mijn tweede vraag is concreter. Kunt u ons een overzicht geven van het aanbod aan gespecialiseerde psychotherapie voor de behandeling van deze stoornissen ? Veel familieleden betreuren het beperkte aanbod aan psychotherapie voor de begeleiding van jonge anorexiepatiënten. Bent u het daarmee eens ?

Ik ben het met mijn collega eens dat we, ook al gaat het niet om een federale bevoegdheid, verbanden tot stand moeten brengen en de verwezenlijkingen van de andere beleidsniveaus moeten onderzoeken. Preventie is inderdaad een communautaire bevoegdheid.

Hebt u een zicht op die kwestie, onder meer op de handvesten die in de Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeenschap werden opgesteld ? Ik denk echter dat de Duitstalige Gemeenschap geen handvest heeft opgesteld.

Enkele modellenbureaus die handvesten ondertekend hebben. Kan dat instrument één en ander doen bewegen ?

Wij willen met onze werkzaamheden ook zien in welke mate de experts suggesties kunnen doen op wetgevend vlak, teneinde een evolutie in de teksten tot stand te brengen en mechanismen te ontwikkelen om tot oplossingen te komen.

Meerdere sprekers hebben onderstreept dat de erkenning van de psychotherapieën al een grote vooruitgang zou zijn. Er werden in die zin al enkele teksten ingediend. Het gaat hier wel degelijk om een heel belangrijke doelstelling in de volksgezondheid.

Om af te ronden vestig ik er nog de aandacht op dat problemen die te maken hebben met de geestelijke gezondheid waarschijnlijk nog altijd onvoldoende maatschappelijke erkenning krijgen. Die maatschappelijke erkenning leidt meestal tot een erkenning in de teksten en, op het einde van de rit, tot de terugbetaling van de prestaties. Op dat vlak moeten we nog evolueren.

Mevrouw Margriet Hermans (Open Vld). — Mag ik er terecht van uitgaan dat anorexia anders moet worden behandeld dan de overige gewichtsproblemen ? Ik veronderstel immers dat niet alle aandoeningen zonder meer onder het algemene thema van gewichtsproblemen vallen. Ik zou ook graag vernemen of boulimie een soortgelijke aandoening is als anorexia.

Men heeft ons heel wat cijfergegevens bezorgd. Is het mogelijk om te kunnen beschikken over nog actueler en nog accurater cijfermateriaal ? Dat lijkt me erg nuttig te zijn om de evolutie beter te kunnen volgen.

Ik zou ook graag meer vernemen over de behandeling van anorexia. Ze is te vergelijken met een verslavingsbehandeling, die levenslang noodzakelijk is maar na verloop van tijd kan evolueren naar een periode waar de zorg minder intensief wordt. Hoe kunnen we een langdurige begeleiding garanderen ? Na enige tijd van behandeling blijven de patiënten immers zonder begeleiding achter en kan het gebeuren dat een familielid vaststelt dat die persoon hervallen is.

Ik heb ook nog een bedenking bij de meldingsplicht of de alarmbelfunctie waarover mevrouw Vanlerberghe sprak. Het verbaast me te vernemen dat de huisartsen die aandoening zo laat vaststellen. Kan er op dit terrein worden bijgestuurd ?

Ik had graag vernomen welke maatregelen op federaal vlak kunnen worden genomen in het kader van preventie. Preventiecampagnes en media kunnen elkaar aanvullen. Wat over dit onderwerp wordt gezegd, zullen we misschien in onze resolutie moeten opnemen.

Tot slot wil ik dr. Yves Simon danken voor de aandacht die hij heeft besteed aan het ouderplatform. De confrontatie van de ouders met het probleem wordt immers vaak onderschat. Meermaals realiseren zij het pas als het al in een vergevorderde fase zit. Kunnen we er niet voor zorgen dat ouders zich als ervaringsdeskundigen engageren tegenover andere ouders ?

De voorzitter. — Blijkbaar neemt de anorexiaproblematiek bij jongeren nog toe. Komt dat doordat er naast de vroegere ook nieuwe factoren een rol beginnen spelen ? Ik denk aan het toenemend belang van de media en dan vooral van het internet.

Bij de grootste risicogroep, de adolescenten, speelt mogelijk ook het effect dat wat wordt verboden, hen het meest aantrekt. Vraag is dus of zaken verbieden wel een goede oplossing is. Bovendien kunnen we sommige dingen gewoon niet verbieden. We kunnen bijvoorbeeld wel een website in België verbieden, maar dan wordt die mogelijk door een buitenlandse provider aangeboden of beginnen jongeren stiekem naar dergelijke sites te surfen. Kunnen we dergelijke zaken verbieden of heeft dat een averechts effect ? Of moeten we misschien deze media zelf gebruiken om de gevolgen van anorexia zo ruim mogelijk kenbaar te maken ? Vandaag las ik in De Morgen een artikel over een filmpje op YouTube in verband met anorexia, dat blijkbaar de jongeren heel sterk raakt.

Preventie is heel belangrijk maar dat is een zaak van de gemeenschappen, die daar trouwens al heel wat rond gedaan hebben. Wij kunnen alleen maatregelen voorstellen die onder onze bevoegdheid vallen of hoogstens aandringen op samenwerking met de gemeenschappen. Bestaan er metingen over het effect van wat de gemeenschappen tot dusver al hebben ondernomen ? Ik denk bijvoorbeeld aan het Charter dat ze hebben afgesproken.

Mevrouw Myriam Vervaet. — Ik wou mij beperken tot de vragen over de behandeling, maar vooraf wil ik toch nog ingaan op de meer algemene vraag die hier werd gesteld namelijk of anorexia louter een gewichtsprobleem is.

In feite hoort anorexia nervosa thuis in de ruimere groep van eetstoornissen. Daarin onderscheiden we drie mentale aandoeningen, met naast anorexia nervosa, de boulimia nervosa en wat wij noemen « de eetstoornissen niet anders omschreven ». Deze laatste is een grote menggroep waar onder andere de eetbuistoornis bij hoort. Dat is een aandoening waarbij de patiënten eetbuien hebben die ze niet compenseren, waardoor ze vaak bij de obezen worden ondergebracht. Maar lang niet elke obesitas is een eetstoornis. We moeten dus een duidelijk onderscheid maken tussen een gewichtsprobleem tout court en eetstoornissen, die vaak met gewichtsproblemen gepaard gaan. De grootste groep, de boulimia nervosa, heeft bijvoorbeeld meestal een ideaal gewicht en is dus niet herkenbaar aan de hand van het gewichtscriterium.

Anorexia nervosa heeft heel veel gemeen met boulimia nervosa en zelfs met de eetbuistoornis. Anorexia nervosa geeft wel het meest spectaculaire beeld omdat de patiënt erg mager wordt. Ik pleit er heel sterk voor om deze aandoening bij de grotere groep van de eetstoornissen te blijven situeren, omdat ook de andere aandoeningen veel risico’s met zich brengen.

In de media wordt vaak het beeld van anorexia getoond, wellicht omdat dat het meest indruk maakt.

Voor België beschikken we niet over accuraat cijfermateriaal. We mogen echter aannemen dat de cijfers voor België gelijk lopen met die van Nederland. De cijfers die hier werden aangehaald kwamen overigens uit een Nederlandse studie. Wellicht kunnen we later over meer cijfermateriaal beschikken.

Verschillende senatoren vroegen of we anorexiapatiënten kunnen genezen. Dat staat buiten kijf. Bijna de helft van de patiënten kunnen worden geholpen. Dat de behandeling van die ziekte momenteel toch nog zo moeilijk loopt is onder meer te wijten aan het feit dat er enige tijd verstrijkt tussen het ontstaan van de ziekte en de aanmelding ervan. Anorexia wordt niet altijd als dusdanig erkend. Dat kan verwonderlijk lijken omdat de patiënt toch enorm veel gewicht verliest, maar het is typisch voor anorexiapatiënten dat ze hun ziekte verstoppen. Dat geldt bijvoorbeeld in veel mindere mate voor mensen met een depressie. Zelfs tegenover professionelen zullen mensen met anorexia verstoppen dat ze ziek zijn. Zij beschouwen de manifestatie van de ziekte als een oplossing voor hun probleem. Ze zijn heel bang van hun emoties. Door uit te hongeren, wordt niet alleen hun maag leeg, maar ook hun hoofd. Dat is het voordeel dat de patiënten op korte termijn van anorexia ervaren. Ze melden zich dus niet aan en wanneer ze dan toch worden aangemeld, ontkennen ze de ziekte. Elke specialist kan onmiddellijk de diagnose stellen. Het probleem is echter dat de patiënt niet tot bij de expert komt. Naast een financieel probleem is er ook het feit dat mensen die daarvoor niet zijn opgeleid dit soort patiënten aantrekken met magische oplossingen, voedingssupplementen enzovoort. Die patiënten zijn een gewillig slachtoffer omdat ze in feite verkiezen om ziek te blijven. Dat is een groot probleem. We moeten alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat mensen die ziek zijn bij de juiste persoon kunnen terechtkomen.

Er werd ook gevraagd of de Body Mass Index de enige index is. Wij hanteren een gewicht van minder dan 85 % van het te verwachten gewicht als indicatie.

In verband met de websites werd terecht opgemerkt dat wat verboden wordt vaak erg aantrekkelijk is. Voor de groep mensen die hier betrokken is, is een verbod niet altijd onbelangrijk. Een adolescent verzet zich doorgaans tegen wat gevraagd wordt door een autoriteit.

Het kan ook een pathologie zijn als je te volgzaam bent. Vanuit een autoritaire positie vindt men het doorgaans goed dat men volgzaam is, maar bij deze groep is het net andersom. Zij gaan extreem volgen wat voorgeschreven wordt. Slaafs normen volgen of imiteren kan ook problematisch zijn. Ik heb ervaren dat voor vele mensen de Nederlandse waarschuwende website erg doeltreffend is.

De heer Yves Simon. — Inzake eerstelijnszorg werd verwezen naar de huisartsen. Hoe kan anorexia nervosa worden onderscheiden van een andere eetstoornis ? We weten dat er risicogroepen bestaan. Het is bijzonder nuttig de arts informatie te geven over die groepen. Het gaat om jonge vrouwen, vrouwen die op doktersbezoek gaan omwille van gewichtsproblemen, omdat ze een dieet willen volgen, wegens gastro-intestinale problemen, diabetes. Het gaat ook om jongeren met een groeistop of jongeren die een arts raadplegen onder druk van hun ouders. Bepaalde elementen kunnen ons helpen risicogroepen te identificeren.

Professor Vervaet merkte al op dat de huisarts aan die patiënten enkele zeer eenvoudige vragen kan stellen om uit te maken of hij moet doorvragen om een diagnose te kunnen stellen. Eet u soms meer dan u zou willen en hebt u soms het gevoel dat u de controle over uw voeding verliest ? Zeggen anderen u dat u mager bent, terwijl u vindt dat u dik bent ? Bepaalt eten uw leven ? Moet u soms braken als u zich opgeblazen voelt ?

De manier waarop die vragen geformuleerd worden, kan de arts in staat stellen risicopersonen te detecteren en bijkomende vragen te stellen om de pathologie te evalueren. Er is gesproken over de BMI als diagnosecriterium. Een jong meisje kan inderdaad een volkomen normale BMI hebben terwijl ze anorexia nervosa ontwikkelt. Het komt erop aan de diagnose in een vroeg stadium te stellen. De eerstelijnszorg is niet beperkt tot één consultatie.

Zodra een huisarts merkt dat een persoon van de risicogroep bevestigend antwoordt op verschillende van de aangehaalde vragen, moet hij ervoor zorgen dat hij die persoon opnieuw ziet om te kunnen nagaan gaan of zijn gewicht evolueert. Een bloedafname geeft ons geen informatie, behalve wanneer de patiënt spontaan braakt of laxeermiddelen neemt en zijn kaliumniveau vrij laag is.

Ook al hebben we aanwijzingen over de risicogroepen en weten we welke vragen we moeten stellen om patiënten met een risico voor eetstoornissen te identificeren, toch geeft dat ons geen aanwijzing over wie daadwerkelijk anorexia, boulimie of boulemische hyperfagie zal ontwikkelen. Opvolging in de eerste lijn is dus zeer belangrijk.

Tegelijkertijd moet ook de aandacht van de ouders worden gevestigd op de risico’s die de adolescent loopt wanneer hij met diëten begint. Als de CLB, de scholen of de klastitularissen, de ouders melden dat hun kind misschien een probleem heeft, kunnen ze gepast reageren. Als men een ouder zegt dat zijn kind een probleem heeft, zal die zich in de eerste plaats afvragen of hij daarvoor verantwoordelijk is. Als men dan ook nog zegt dat het om een ernstige ziekte gaat en de omgeving van de ouders geneigd is te denken dat anorexia verband houdt met de opvoeding door de ouders, stokt de communicatie onmiddellijk.

Criteria alleen volstaan dus niet om een diagnose te kunnen stellen.

De zorgverleners moeten een methode uitwerken waarbij rekening wordt gehouden met de jongere en zijn omgeving, vooral dan zijn ouders. De professionelen moeten worden ingelicht over de huidige vormen van die mentale ziekten. Zijn de ouders werkelijk verantwoordelijk ? De situatie is heel wat ingewikkelder. Als we erin slagen de visie van de professionele hulpverleners te veranderen, kunnen we wellicht de middelen binnen het gezin efficiënter aanwenden.

De CLB moeten enige vertrouwelijkheid in acht nemen ten opzichte van de ouders, maar ze mogen de ouders hun verantwoordelijkheid niet ontnemen. Als we hen vragen meer controle uit te oefenen, moeten we hen ook steunen. Epidemiologische studies tonen duidelijk aan dat jongeren verwachten dat hun ouders opnieuw controle krijgen over bepaalde gedragingen. De ouders handelen meer uit het oogpunt van verzorging en bescherming, terwijl de adolescent autonomie wil. Dat mag de ouders er echter niet van weerhouden een standpunt in te nemen. Het is nuttig om dingen te verbieden. Dat betekent niet dat ouders de jongere moeten beletten iets te doen, maar wel dat ze als ouders een standpunt innemen. De volwassenen mogen niet om het even wat laten gebeuren. Jongeren verwachten dat van hen, maar hun vertrouwen moet ook worden gerespecteerd. Jongeren moeten beseffen dat ze nog in volle ontwikkeling zijn, dat ze hun persoonlijkheid moeten vormen. Dat houdt verrassingen in en dat vraagt tijd.

Wat de evolutie op de markt van de levensmiddelen betreft, moeten we ervoor zorgen dat therapeuten aandacht hebben voor het omgaan met stimulansen, met elementen die aanleiding geven tot een bepaald gedrag. Wie kan immers weerstaan aan de lokroep van zeer calorierijke voedingsmiddelen die volop beschikbaar en goedkoop zijn ? Informatie is misschien een stap in de richting van preventie, maar op een bepaald ogenblik moet ook ingegrepen worden op de omgeving, naar het voorbeeld van de maatregelen die werden genomen in de strijd tegen het tabaksgebruik.

Om anorexia nervosa te bestrijden moeten specifieke therapieën worden uitgewerkt. In het geval van adolescenten lijken de meest efficiënte therapieën erin te bestaan dat ouders opnieuw controle krijgen over de omgeving van hun kinderen, vooral wat de maaltijden betreft. Ze mogen dan wel geen negatieve commentaar geven, want die jongeren hebben al een laag zelfbeeld. Die controle terugkrijgen moet een houding zijn en geen negatieve commentaar. Geen kritiek geven op de andere is geen gebruikelijke houding. De therapeut moet alles in het werk stellen om de ouders ertoe te bewegen die houding aan te nemen.

Aangezien ouders en adolescenten niet dezelfde logica volgen, moet ook de communicatie gestimuleerd worden. Jongeren willen communiceren. Het is van essentieel belang dat ouders worden ondersteund in de uitoefening van hun gezag, of het nu gaat om preventie dan wel om therapeutische begeleiding. In het centrum waar ik werk, krijgen we gelukkig een financiering voor de evaluatie van een therapeutisch project rond anorexia nervosa.

In de modules die nu worden gevalideerd, gebruiken we hoofdzakelijk technieken van groepsgezinstherapie. We verzamelen acht gezinnen voor tien sessies verspreid over een jaar. De eerste sessie duurt vijf dagen. Volgens die drie principes werken we, van 9 tot 17 uur, met de ouders en de adolescenten.

Die therapie werd uitgeprobeerd in Duitsland, de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. De ouders zijn in ieder geval zeer tevreden, want ze krijgen opnieuw de mogelijkheid om een zeer belangrijke rol te spelen in de genezing van hun kind. Ze worden niet uitgesloten en ze ervaren dat ze opnieuw gezag krijgen, ook al is dat soms moeilijk en moeten ze worden gesteund.

Mevrouw Vervaet wees reeds op de zware financiële problemen. Het is dan ook bijzonder waardevol dat we kunnen rekenen op een financiering van ons pilootproject. We kunnen ons ook voor de preventie door die technieken laten leiden.

Het NPVG legt vooral de nadruk op een goede voeding en op lichamelijke activiteit, maar dan wel in een aangename context. Tal van jongeren die — als gevolg van een mislukking bij een kampioenschap, een kwetsuur, enzovoort — een sportbeoefening op hoog niveau stopzetten, bevinden zich in een zeer moeilijke situatie, zowel wat hun voeding als hun zelfbeeld betreft.

Misschien moet een derde dimensie worden toegevoegd : de aanvaarding door de maatschappij van alle lichaamsvormen en alle gewichten. De discriminatie van zwaarlijvigen en zelfs van anorexiepatiënten bevordert geenszins de aanpassing van die mensen aan het sociale leven.

Mevrouw Katia Segers. — Mevrouw Hermans vraagt zich af of we er niet één pot nat van maken als we ook boulimie en binging onder dezelfde problematiek catalogeren. Ik pleit ervoor om dat toch te doen. Ik ben overigens mijn uiteenzetting begonnen met te zeggen dat een eetstoornis een complex probleem is en dat het gaat om verschillende ziektebeelden van één en dezelfde problematiek. Uit onderzoek blijkt trouwens dat anorexiepatiënten vaak in de loop van hun ziekte ook periodes van boulimie en binging hebben.

We moeten zowel aan regulerend als preventief optreden. De waarschuwingsbanners zijn een goede zaak als er een uitvoerige tekst bij is die er duidelijk op wijst dat het om een ernstige aandoening gaat. Preventie- en sensibiliseringscampagnes met betrekking tot gezonde voeding, zijn echt belangrijk. Ze leiden wel degelijk tot resultaat, niet op korte termijn, maar zeker op lange termijn. Ik verwijs naar de BOB-campagnes, die nu pas echt resultaat hebben evenals naar de Tutti Frutti-campagne in de Vlaamse scholen.

Er moeten campagnes worden opgezet over gezonde voeding, waar een normaal gewicht en een normaal voedingspatroon het uitgangspunt is en tegelijkertijd wordt gewaarschuwd voor obesitas, maar niet stigmatiseert.

Ik ben het voorstel van resolutie genegen. De verplichte BMI-index voor modellen is een eerste stap, die echter moet worden uitgebreid tot televisiepresentatrices en deelneemsters aan schoonheidswedstrijden. Zeventig procent van de deelnemers aan de jongste Miss-America-wedstrijd bijvoorbeeld, had vijftien procent ondergewicht.

De meldingsplicht is volgens mij ook een stap in de goede richting. Ik denk in dat verband ook aan de tandartsen. Zij kunnen als eersten vaststellen dat iemand aan boulimie lijdt. Bij veelvuldig braken tast het maagzuur namelijk het tandglazuur aan met een zeer specifiek patroon. Tandartsen merken dat onmiddellijk op, vooral wanneer het al een tijdje aan de gang is.

Er werd verwezen naar een affiche van Toscanini, de beroemde fotograaf van Benetton, waarop een uitgemergeld meisje te zien is. Ik merk dat dit aanzet tot discussies en bijdraagt aan een grotere bewustwording over anorexia, ook bij onze studenten. Men kan dit bezwaarlijk een campagne noemen, maar het zijn toch initiatieven die het probleem onder ogen brengen.

Mevrouw Myriam Vervaet. — De foto’s van Toscanini hadden bij onze anorexiepatiënten eerder een negatief effect. Zieke mensen tonen op een affiche in een campagne voor een gezonde levensstijl, is niet opportuun. Gezonde voeding wordt in onze cultuur overigens vaak en ten onrechte verward met dieetvoeding. Vraag aan elk jong meisje wat gezonde voeding is en ze zal dat begrip onmiddellijk assimileren met het volgen van een dieet.

Ik ben erg gelukkig met de campagnes rond gezonde voeding, maar men heeft daarbij één aspect over het hoofd gezien, namelijk dat hij of zij die zo volgzaam is en extreem perfectionistisch en competitief omgaat met regels, ook deze regel obsessioneel zal gaan volgen. Ik waarschuw daarvoor. Gezonde voeding moet worden voorgesteld als een voeding met een goede structuur, namelijk drie volwaardige maaltijden per dag met tussendoortjes en als een gevarieerde voeding, niet als een dieetvoeding. Zij die gezonde voeding promoten, zijn meestal geen professionelen. Vaak gaat het om commerciële programma’s waarin het begrip « gezonde voeding » wordt uitgelegd. Wij kunnen met al onze wetenschappelijke kennis absoluut niet opboksen tegen commerciële methoden waar onze jonge bevolking juist zo gevoelig voor is. Ik zou graag hebben dat ook daar aandacht aan wordt besteed. Ik ken bijvoorbeeld niet veel van voetbal en men zal mij dus nooit vragen om op televisie uitleg te komen geven over het voetbal.

Ik hoor soms echter mensen de meest waanzinnige dingen zeggen over eetstoornissen en gezonde voeding, terwijl ze er niets van afweten. Dat begrijp ik niet.

De heer Yves Simon. — Ik ben het daar volkomen mee eens.

Ik kom nog even terug op de foto’s van die mannequin die de aandacht moeten vestigen op de gevaren van anorexia. Dit soort reclame moet verboden worden.

Wanneer men aan mensen die anorexia hebben gehad, vraagt wat hen het meest heeft geholpen om van hun ziekte te genezen, verwijzen ze in de eerste plaats naar contact met deskundigen op dat gebied, vervolgens de steun van hun naasten en ten slotte, de getuigenissen van jonge meisjes die de ziekte hebben overwonnen. Die boodschappen van hoop helpen de jonge meisjes immers om hun ziekte beter te herkennen en er tegen te strijden. De foto’s van die uitgemergelde mannequin en de rampzalige BMI’s waarvan we op modedefilés getuige zijn, lijken mij een aanfluiting van de arbeidswetgeving.

Heeft men zich wel eens afgevraagd welke invloed dergelijke beelden hebben op kinderen en jonge adolescenten ? Waarom hen bang maken ? Men doet er beter aan hen positieve boodschappen te sturen : voeding en sport, dat is aangenaam.

Wat de postanorexiaperiode betreft, zijn de statistieken zeer hard voor 30 % van de patiënten met een chronische vorm : zij lopen een zeer hoog risico op zelfdoding. Die zelfdodingen zijn overigens niet het gevolg van een depressie, maar hebben meer te maken met existentiële problemen, levensmoeheid.

70 % van de jonge vrouwen kennen een reële verbetering, maar dat vraagt tijd. 50 % onder hen hebben weliswaar nog problemen met voeding, maar dat stoort hen niet te erg bij de verwezenlijking van hun persoonlijke doelstellingen op professioneel, familiaal of sociaal gebied. De wisselvalligheden van het leven kunnen er wel voor zorgen dat die doelstellingen moeilijk gerealiseerd worden. De tijd speelt echter in het voordeel van die jonge vrouwen van zodra ze in een stabiele en veilige omgeving terechtkomen, steun krijgen van hun naasten en bekwame therapeuten kunnen ontmoeten.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a-spirit). — Hier werd veel gesproken over CLB’s en ik geloof daar ook echt in. Ik vind dat meer medische controle op school goed is. Ik vraag mij echter wel af welke normen er worden gehanteerd. Door mijn contacten in scholen hoor ik dat meisjes nogal vlug het etiket « te dik » opgekleefd krijgen, zeker in het vijfde en zesde leerjaar. Ik denk dat dit de meest gevaarlijke periode is. Ik weet niet of andere ouders daar ook ervaring mee hebben. Ik vraag mij dus echt af welke criteria er worden gehanteerd, of hangt dit af van de dokter die dienst heeft ? Kinderen komen soms thuis met een briefje waarop vermeld staat dat ze te dik zijn en vaak zijn de moeders daarover verbaasd. Gebruikt men dezelfde criteria in alle CLB’s ?

De heer Marc Elsen (cdH). — Zelfs als het gaat over materies die tot de bevoegdheid van de gemeenschappen of gewesten behoren, moeten we niet weigeren erover te praten. We moeten een globale visie definiëren.

De CLB-centra, de centra voor schoolinspectie of de gezondheidscentra in scholen hebben wettelijk bepaalde opdrachten, waaronder moeilijkheden opsporen en vaststellen, maar ook begeleiding voorstellen. Het personeel van die centra is bevoegd die opdrachten op zich te nemen, maar vaak zijn de middelen en de ondersteunende maatregelen daarvoor ontoereikend. Aangezien die centra bevoegd zijn voor een zeer grote groep scholieren, kunnen ze zelden meer doen dan gewoon de situatie vaststellen, wat meestal de ouders een schuldgevoel geeft.

Zijn de experts van mening dat het aanbod van de psychotherapeutische hulpverlening, voor deze problematiek in het bijzonder, volstaat ? In mijn vorig beroep heb ik gezien dat ouders van kinderen met anorexia het soms erg moeilijk hadden om een opnameplaats te vinden. Misschien zijn die ouders verlamd door schuldgevoel.

Mevrouw Christiane Vienne (PS). — De vraag over de bevoegdheid van de CLB en de beoordelende arts is belangrijk. Enkel de ouders die over een grotere culturele bagage beschikken zijn in staat om de beoordeling van de arts van het CLB te betwijfelen. Die arts stuurt het kind naar huis met een brief waarop vermeld staat « overgewicht ». Verder wordt vermeld dat een huisarts moet worden geraadpleegd en dat het ingevulde attest nadien moet worden teruggestuurd. Uit persoonlijke ervaring weet ik dat huisartsen vaak de mening van de arts van het CLB tegenspreken.

Het systeem is zeer schadelijk omdat het kan beletten dat een diagnose wordt gesteld over een reëel probleem. Het geeft ouders een schuldgevoel, vooral ouders uit volkse milieus die het aanvoelen alsof wordt getwijfeld aan hun capaciteiten om hun kind goed op te voeden. Het is vooral in die milieus dat er een groot risico is op gedragspatronen die psychologische moeilijkheden bij het kind kunnen veroorzaken. Zo heb ik kinderen ontmoet in de lagere school die het tussendoortje van hun medeleerlingen stalen omdat hun ouders er hen geen meegaven wegens de opmerking van het CLB. Dat is dus een inhoudelijk probleem. Of de materie nu al dan niet afhangt van de gewesten of de gemeenschappen heeft op zich geen belang. Onze resolutie kan wel degelijk bedenkingen over de grond van de zaak bevatten die ook tot de gewesten en de gemeenschappen gericht zijn. We moeten de dingen niet al teveel in hokjes stoppen.

De heer Yves Simon. — Het aanbod aan psychotherapie is duidelijk ontoereikend. Het aanbod voldoet niet aan de vraag, te meer daar de behandeling van eetproblemen en anorexia een zekere expertise vereist. Bovendien is de aanpak de voorbije twintig jaar sterk geëvolueerd, vooral op het vlak van de relatie met de ouders. Het is belangrijk dat op de ouders en op de eerstelijnsgezondheidsdiensten gesteund kan worden. Elkeen heeft zijn rol en moet zijn plaats vinden, ook de zelfstandige psychotherapeuten.

Wat de situaties betreft die werden beschreven, is het waar dat de boodschap « wij zijn slechte ouders » wordt onthouden, wat rampzalig is. Het is zeer belangrijk rekening te houden met die aspecten.

Mevrouw Myriam Vervaet. — We merken inderdaad dat er vaker wordt gewaarschuwd voor overgewicht, terwijl recente studies duidelijk aantonen dat ondergewicht meer risico’s inhoudt dan een licht overgewicht. Ons publiek wordt daarvan niet van op de hoogte gebracht. Heel wat schoolartsen zijn echter nog steeds meer begaan met het detecteren van overgewicht.

Het is ook belangrijk dat als men informatie verstrekt inzake lichaamsgewicht aan de mensen die op de eerste lijn werken, dat het op een gepaste manier gebeurt. De boodschap werkt vaak stigmatiserend en dan begint het complexe interactieproces met de ouders.

Er is op verschillende niveaus plaats voor de behandeling, maar binnen de diagnostische criteria van anorexia nervosa, pleit men internationaal voor gespecialiseerde psychotherapeuten met de nodige ervaring en opleiding. In navolging van onze buurlanden, zijn we voorstander van de erkenning in ons land van kenniscentra, waarbij niet alleen met betrekking tot de diagnose, maar ook inzake behandeling en informatieverspreiding een proces wordt bewaakt en trapsgewijs aan de verschillende lijnen in de gezondheidszorg wordt doorgegeven.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). — Wat is de coïncidentie tussen een obsessief-compulsieve stoornis (OCS) en anorexia nervosa ?

Mevrouw Myriam Vervaet. — Zeker binnen de restrictieve vorm van anorexia nervosa komt OCS vrij vaak tezelfdertijd voor met anorexia nervosa. De pure anorexia nervosa uit zich exclusief in de voeding maar men ziet ook vaak obsessionele kenmerken binnen een ruimer gedragspatroon. In sommige studies over anorexia wordt inderdaad verwezen naar een, zij het een juveniele, vorm van OCS.

http://www.senate.be/www/?MIval=/publications/viewPub.html&COLL=S&LEG=4&NR=755&VOLGNR=3&LANG=nl